Slechte gewoontes

1.   Om te beginnen is er de achterrem. Blijkbaar zijn er nog steeds veel motorrijders die meestal slechts hun achterrem gebruiken. Voorwaar een slechte gewoonte die heel slecht voor de gezondheid kan zijn. De voorrem neemt immers minstens 70% van de remcapaciteit voor zich omdat het gewicht van een remmende motorfiets bijna volledig op het voorwiel komt te staan. Hierdoor is het veel moeilijker te blokkeren.Het achterwiel daarentegen zal in die omstandigheden (hard remmen dus) heel gemakkelijk blokkeren. Leer dus die voorrem te gebruiken en je remweg zal heel erg sterk verkorten.
2.   Als tweede punt hebben we de richtingaanwijzers. Iedere autobestuurder weet dat die vanzelf uitgaan. Soms gaan ze zelfs te snel uit…. De mensen hebben dus niet de gewoonte om dit manueel terug uit te schakelen en dat zie je veel onderweg. Motorrijders laten hun richtingaanwijzers kilometerslang branden, zonder ook maar één keer af te slaan. Is dit omdat het controlelampje te klein is? Zeker niet, het is enkel en alleen omdat de mensen de gewoonte niet hebben om hun richtingaanwijzers zelf af te zetten. Ze zetten ze aan, en vergeten ze meteen. Dit is niet leuk voor de andere weggebruikers want door deze verkeerde signalen worden ze in verwarring gebracht. Wat gaat de motorrijder nu doen? Vertragen, uitwijken, afslaan, inhalen? De andere weggebruiker heeft er geen zicht op, neemt een beslissing en …. met wat geluk rijdt hij de nonchalante motorrijder niet omver….
3.   De dimlichten. Nog zo’n penibel punt. Voor ééns en voor altijd: bij auto’s blijven ze overdag uitgeschakeld, bij motorfietsen is het wettelijk verplicht om met brandende dimlichten te rijden, dag en nacht. Daarmee is echter nog niet alles gezegd. Het starten van een motorblok, vergt zeer veel van onze hele kleine motorfietsbatterij. In tegenstelling tot vele moderne wagens, beschikken de meeste motorfietsen niet over een automatiekje dat bij het starten de lichten uitschakelt. Doe daarom altijd de lichten uit vooraleer de motorfiets te starten. Het is trouwens niet alleen slecht voor de batterij, maar ook voor de lichten.
4.   Als voorlaatste puntje halen we ook nog even het parkeren aan. Dit is nu niet direkt een levensgevaarlijk item, maar eerder een ongemakkelijk iets. Vooral als de machine slecht geparkeerd staat…. Zet je de motorfiets teveel rechtop, dan valt hij bij een zware wind, of een kleine stamp van een voorbijganger misschien naar rechts. Staat hij te schuin, dan loop je het risico hem terug te vinden op de linkerkant. Controleer bij het parkeren eveneens in welke richting de parkeerplaats helt en parkeer je zodanig dat je zonder veel moeite je parkeerplaats kunt verlaten. Een machine die honderden kilo’s weegt duw je niet zomaar eventjes achteruit bergop…. Staat je machine inderdaad heel schuin, zet hem dan in versnelling en zet hem het liefste met de neus naar boven. Zo verhinder je dat hij over de zijstandaard heen rolt of naar achteren glijdt. Controleer bovendien of de grond voldoende stevigheid biedt voor je standaard. Indien niet, moffel er dan een grote platte kei, of een platgestampt blik onder.
5.   Last but not least is er de basiscontrole. Bij een wagen is dit omzeggens niet nodig. Ze verbruiken geen olie, de banden blijven vele duizenden kilometers op de goede spanning, de lichten gaan nooit kapot, etc etc. Bij een motorfiets is dit absoluut niet waar: lichten, remmen,banden en kettting moeten eigenlijk voor elke rit even gecontroleerd worden op hun functie. Kwestie van geen ongelukken te veroorzaken. Je kunt het onthouden aan het ezelsbruggetje B-BROVAS;
BBROVAS:
•   Banden
•   Benzine
•   Remmen
•   Olie
•   Verlichting
•   Aandrijving
•   Spiegels

Verdere veel voorkomende fouten bij motorrijders die weinig motorrijden zijn een verkeerde baanpositie (veel te veel tegen de rechterkant aan, normaal rij je op 2/3 van de rechterkant van je baanvak) en te weinig concentratie en observatie. Vergeet niet dat je slechts op twee wielen onderweg bent! Leer je omgeving zeer goed observeren en leer er de goede conclusies uit te trekken. Hou alles en iedereen in de gaten en anticipeer zoveel mogelijk. Op de motorfiets kun je je niet permitteren omn jezelf als een onkwetsbare godheid te beschouwen – een gewoonte van de meeste autobestuurders.

Vele autorijders die leren motorrijden zijn verbijsterd over de inspanningen en concentratie die het rijden vergt. Dit is volkomen normaal. Een motorrijder zit middenin de zinderende verkeersstroom en moet alles in de gaten houden om z’n hachje te redden, als autobestuurder zit je middenin een gezellige warme comfortabele bubbel met een leuk muziekje op de achter- of voorgrond en het rijden wordt haast bijzaak en ach, wat betekenen een deuk meer of minder?

Slecht wegdek: Kasseien en klinkers

Kasseien zijn bij de gemiddelde motard niet populair. De redenen zijn legio: ze zijn spekglad en je wordt door elkaar gerammeld, het ligt altijd op de verkeerde plaatsen, meestal zie je ze pas liggen als het al te laat is en als je erop rijdt, crash je gegarandeerd. Als je echter over de juiste mentale ingesteldheid beschikt en een aantal eenvoudige grondregels toepast, vormt dit wegdek een veel minder belangrijk probleem.

Integendeel, mits aangepast rijgedrag en een vooruitziende blik staat niets je in de weg om volop te genieten van het natuurschoon rondom jou. Het is trouwens net langs die nauwe kasseiweggetjes dat de mooiste plekjes liggen. Daar is nog niet teveel gebouwd, daar heerst er nog rust (nadat je je motor hebt afgezet).

•   DROOG is niet NAT
•   DE JUISTE AANPAK
o   Ontspan
o   Plooi de armen
o   Vermijd bruuske handelingen
o   Vertraag
o   Kies je positie op het wegdek
o   Zoek een comfortabel tempo
o   Laat het voorwiel zijn weg zoeken
o   Gebruik je achterrem
•   OM AF TE RONDEN

Nb: Vooral het ontspannen van de armen is een goede gewoonte om bij alle bochten te doen. Het is helaas iets wat door velen wordt nagelaten

Droog is niet nat
Om te beginnen moet er een onderscheid gemaakt worden tussen DROGE en NATTE kasseien. Op droge kasseiwegen beschik je nog over relatief veel grip. Je kunt vrij hard remmen, vlot bochten nemen en voor geen al te bruuske manoeuvres moet je geen schrik hebben. Natte kasseien zijn daarentegen spekglad. Remmen, accelereren, manoeuvres uitvoeren doe je met gepaste voorzichtigheid.

De juiste aanpak
Hoe handel je op een kasseiweg? Hoe voorkom je zitpijn, rugpijn en een schuiver van formaat met nog meer pijn tot gevolg? Volg mijn raad op en ik garandeer je hernieuwd rijgenot!

Ontspan
Jawel: ontspan. Velen verstijven op ’t moment dat ze die kasseien oprijden. Ze spannen arm- en beenspieren op, knijpen ongezond hard in hun stuurhelften en klemmen de knieën te hard tegen de tank. Dat is een heel foute reactie. Door te verkrampen vormt je lichaam een star geheel met de motorfiets en verhinder je het soepel bewegen van het stuur. Ontspan je dus, let erop dat je terug even ontspannen gaat zitten als daarnet, vooraleer je de kasseiweg opreed. Los de spanning in je beenspieren, druk je knieën lichtjes tegen de tank aan zodat je de motorfiets goed voelt bewegen. Laat je armen zo ontspannen en los mogelijk bengelen. Het spreekt vanzelf dat je je stuurhelften goed blijft vasthouden. Een goed voorbeeld zijn de motorcrossers. Die gaan zelfs nog een hele stap verder: ze blijven namelijk rechtop staan en laten de machine onder zich heen en weer springen. Omdat ze stevig op de voetsteunen staan en het stuur stevig maar soepel vasthebben, is een dergelijke handelswijze probleemloos mogelijk.

Plooi de armen
Let er goed op dat je ontspannen blijft. Door je armen wat te plooien en los te laten hangen, kan je voorwiel beter zijn weg zoeken. Je zult eveneens een betere controle hebben over de draaibewegingen van je stuur. Als het voorwiel plots naar beneden zou duiken in een verzakking in het wegdek, gaat het stuur aan je armen trekken. De geplooide armen gaan simpelweg met het stuur meebewegen en dus strekken. Als ze voldoende geplooid zijn zal er niet aan je bovenlichaam gerukt worden en blijft je eigen balans onverstoord.

Vermijd bruuske handelingen
Zelfs op een mooie vlakke droge kasseiweg is er weinig grip. Rij daarom zo vloeiend mogelijke lijnen, accelereer en vertraag zo soepel mogelijk. Stuur voorzichtig. Overdenk je handelingen.

Vertraag
De snelheid waarmee je daarnet nog lekker aan het zoeven was, is wellicht toch te hoog voor kasseien, zeker als ze kletsnat zijn. Vertraag daarom. Op een rechte lijn kun je nog argumenteren dat het toch niet zo’n kwaad kan want rechtdoor rijden is immers niet (lees: minder) gevaarlijk, maar dat argument valt weg als je dan toch een bocht moet nemen of als de kasseiweg heel erg bol ligt. Dan kun je alle grip om recht te blijven, gebruiken. Vertraag daarom. Je zult je remmen dan minder nodig hebben, remmen op de motor zal misschien al voldoende zijn in bepaalde situaties. Moet je toch bijremmen, doe het dan op een verstandige wijze (zie verder).

Kies je positie op het wegdek
Kasseiwegen zijn vaak vrij oud en samengesteld uit grote rond afgesleten stenen, de zogenaamde kinderkopjes. Dergelijke weggetjes liggen meestal behoorlijk bol. Rij bij voorkeur in de sporen. Die zijn hol en daardoor is niet alleen het contactvlak van je banden met het wegdek groter en heb je dus meer grip, maar het is ook een veel stabielere positie waardoor je wielen minder snel gaan schuiven. Denk maar aan een knikker die onderaan in een kom ligt. Die zal niet zomaar vanzelf beginnen rollen.

Er is echter veel kans dat die sporen vol modder en ander vuil zitten. Ze zijn bij regenweer natuurlijk altijd gevuld met water en modder. De tweede voorkeurspositie is daarom midden op de kasseiweg van boven op de bolle kant. Die plaats is meestal proper omdat het vuil er af gespoeld wordt. Nadeel is wel dat je daar minder grip hebt wegens een kleiner contactvlak.

Toch is deze positie met voorsprong te verkiezen boven de andere mogelijkheden: de flanken der sporen. De schuine kanten zijn helemaal af te raden. Hier rij je zo weinig mogelijk op. Er is voortdurend het risico dat je weg gaat glijden. We halen opnieuw het voorbeeld van de knikker erbij. Een knikker op de top van een bol kan alle kanten uitglijden, maar er is ook nog de mogelijkheid dat hij mooi in evenwicht blijft. Een knikker op een flank zal daarentegen steeds naar beneden rollen.

Zoek een comfortabel tempo
De meest comfortabele rijsnelheid is die waarbij jijzelf rustig zit en je vering alle putten en bulten perfect effent. Er zijn twee factoren die het comfort beïnvloeden: de kasseien zelf en de vering van je motorfiets.
Elke kasseiweg heeft iets wat je z’n “eigenritme” zou kunnen noemen. Het eigenritme wordt bepaald door de grootte van de kasseien (klein of groot), de vorm der stenen (plat of rond) en hoe ze gelegd zijn (regelmatig, onregelmatig, effen, dicht bij of ver uit elkaar, …). Dit ritme komt tot uiting als je erover rijdt en dicteert de bewegingen van de wielen.

Deze bewegingen worden echter opgevangen door vering en demping. Zonder de voor- en achtervering zouden de wielen het contact met het wegdek verliezen. De vering heeft eveneens haar eigen “eigenritme”, dat afhankelijk is van tal van factoren zoals daar zijn: dikte van de olie, sterkte van de veren, afstelling van vering en demping.

Als beide ritmes met elkaar in harmonie zijn, effent de vering alle oneffenheden en zit jij in alle rust te genieten van de rit.

Als je dus een kasseistrook oprijdt en je merkt dat het behoorlijk ongemakkelijk is, probeer dan eens een andere snelheid: wat trager of wat sneller. Er is zeker en vast een tempo waaraan je comfortabel kunt reizen.

Laat het voorwiel zijn weg zoeken
Elke oneffenheid vormt een obstakel waartegen het rollende voorwiel tegenop botst. Een fractie van een seconde wordt het omhoog en/of opzij geduwd. Je voelt die reactie in je stuur. Als de weg echt slecht ligt, kan je stuur behoorlijk heen en weer slaan. Vandaar de raad om je stuur stevig vast te houden en je armen te plooien. Een fractie later is het voorwiel over die kassei en rolt het gewoon weer verder, om 5 cm later terug te botsen op een andere kassei. En opnieuw zal het voorwiel een duw krijgen, en opnieuw vindt het vanzelf zijn weg. Dankzij de NALOOP zal het voorwiel steeds blijven terugkeren naar z’n gewone rechtuit positie.

Denk hierbij aan een wieltje van een winkelkarretje. Als je het karretje vooruit duwt, keert het steeds terug naar zijn oorspronkelijke positie. Dat is omdat het zo speciaal scharniert (=het contactvlak wiel-grond bevindt zich ACHTER de verticale zwenkas van het wieltje). Daardoor loopt het wieltje steeds zijn eigen zwenkas achterna. De afstand tussen dit contactvlak en de zwenkas heet NALOOP. Ook het voorwiel van een motorfiets heeft zo’n naloop.

Als jij je stuur heel star vasthoudt, verhinder je de natuurlijke zwenkbeweging van het voorwiel en bemoeilijk je het balanceren van jezelf en je machine. Bij sportmachines is de naloop zeer kort en is er weinig nodig om het voorwiel te laten zwenken. Bij toermachines en customs is de naloop vrij lang en het stuur blijft daardoor veel rustiger. Daarom ook dat de laatste twee categorieën comfortabeler rijden op kasseien.

Gebruik je achterrem
Doe dit zoveel mogelijk want een slippend achterwiel is veel beter onder controle te houden dan een slippend voorwiel. Rem je toch met de voorrem, gebruik hem dan soepel en met verstand. Trek het remhendel traag in tot je de weerstand voelt toenemen. Op dat moment zitten de remzuigers tegen de remschijf of remblokken en is alle vrije slag uit je remhendel. Harder knijpen zal een beduidende remwerking tot gevolg hebben. Je weet dit natuurlijk allemaal wel, maar ik verzoek je met aandrang om het remmen op kasseien en losse ondergrond zoveel mogelijk te vermijden.

Om af te ronden
Wie bovenstaande raadgevingen goed in z’n oren knoopt, zal mettertijd ondervinden dat kasseiwegen nog niet zo erg zijn. Een goed tempo zoeken en soepel handelen zijn de sleutelwoorden voor een leuke rit. Als ze proper en droog zijn tenminste. Natte kasseien blijven glad als ijs. Daar helpen alleen uiterste voorzichtigheid en traagheid.

Op droge wegen kun je echt met volle teugen genieten van de omgeving. Zoals reeds in de intro vermeld, vind je rond deze kasseiwegen nog steeds de allermooiste plekjes. Het zou zonde zijn om zo’n wegje NIET te nemen louter en alleen omdat je je er niet op gemakkelijk voelt.

Rukwinden

Verkeerd bezig?
Tijdens het weerbericht waarschuwen ze soms voor rukwinden. Iedereen kent ze wel. Ben je rustig aan het rijden tijdens een grijze maar droge herfstdag en wordt je daar plots haast omver geblazen, bijna de berm in of op het andere rijvak. Verrast verstevig je je grip op het stuur en ruk je de machine in de goede richting. Net op dat moment valt de wind weg, ben jij aan het oversturen en zwiep je naar de overkant van de weg om weer terug gemokerd te worden door een nieuwe windvlaag. Meteen heb je alle vervelende eigenschappen bij elkaar gehad. Rukwinden zijn er plots en zonder waarschuwing, ze slaan toe met grote hevigheid en meestal zijn het zijwinden.
Hoe reageerde jij toen het je overkwam? Heb je je armen zo stijf mogelijk gehouden? Waren je knokkels wit van te knijpen in je stuur? Kneep je je tank fijn met je dijen? Reed je verkrampt? Dan deed je alles verkeerd wat je verkeerd kon doen. Hoe minder je doet, hoe beter de motorfiets met die winden overweg kan, als jij tenminste op de goede manier reageert.
Onspannn… en heers
Net als bij het rijden over kasseiwegen zit de oplossing in een ontspannen zithouding. Bij zulke windvlagen hoef je je grip op je stuur niet te verstevigen en je armspieren moet je al helemaal niet opspannen. Integendeel zelfs, neem de stuurhelften lichtjes vast, leun wat naar voren en laat je armen licht gebogen en losjes hangen. Je motorfiets moet vrij heen en weer kunnen bewegen terwijl de wind erop beukt. Als jij je stuur met stijve armen vasthoudt, dan geef je zelf de slingerbewegingen van het stuur door aan de rest van de motorfiets en verhoog je de instabiliteit aanzienlijk.

Daarmee is nog niet alles gezegd. Door er rustig op te zitten en de machine haar gang te laten gaan, zul je al veel soepeler doorheen de windvlagen rijden, maar er zijn vanzelfsprekend grenzen aan het heen en weer slingeren. Die grenzen heten de berm en de rijstrook van de tegenliggers. Daar wil je niet belanden. Je zult dus toch op één of andere manier moeten reageren om de motorfiets op het goede pad te houden. Dat hij wat heen en weer beweegt onder die windstoten mag, maar jij moet de baas blijven. Jij bepaalt hoeveel hij mag zwalpen.

Als je voelt dat de machine plots naar de kant gedrukt wordt, ga je gewoon een heel klein beetje tegensturen. Door deze handeling zal de motorfiets wat naar de wind toe kantelen (het zwaartepunt verplaatst zich) en tegen de wind gaan leunen. Bij een aanhoudende zijwind die met constante snelheid waait (zoals op bruggen), kun je zelfs kilometers lang “schuin” rijden. Net zoals iemand die op een zeedijk de branding gadeslaat en zich schrap moet zetten om niet omver gewaaid te worden. De duwende wind en de “vallende” motorfiets houden zich op dat moment in evenwicht. Hoeveel moet je tegensturen en hoe zwaar moet je tegen de wind in leunen? Zoveel als nodig is. Je evenwichtsgevoel zal je dat weten te vertellen.

Windvlagen zijn echter niet voor niets vlagen. De kracht waarmee ze toeslaan is niet te voorspellen. Je zult niet kunnen vermijden dat je machine wat heen en weer gaat. Dat is echter doodnormaal. Die kleine koerswijzigingen kun je toch nooit helemaal opvangen. Zolang je op je eigen rijstrook blijft, ben je goed bezig. Daarom ook dat je best het midden van het rijvak tracht aan te houden.
Anticiperen? Soms
Er zijn echter situaties waarin je wel kunt anticiperen, maar dat zijn situaties waar geen sprake meer is van rukwinden. Als je in de verte een grote vrachtwagen ziet naderen, dan weet je dat hij voor een enorme windverplaatsing zorgt die jou met volle kracht zal raken. Of als er een constante zijwind is waar jij al kilometers lang tegenaan leunt en je merkt dat je enkele huizen gaat passeren of onder een brug door moet. Die huizen en de peilers van die brug breken de kracht van de wind. Als je daar passeert heeft leunen tegen de wind in geen zin, want er is daar geen wind. Zulke momenten zie je meestal al op voorhand aankomen en je kunt hierop inspelen. Hou je gereed om je motorfiets op te vangen als hij aan zijn zwieper begint. Vergeet niet dat je de slingerbeweging nooit helemaal kunt neutraliseren. Laat de motor wat gaan en stuur dan soepel en zo krachtig als nodig bij. Kies ook een goede positie op de rijstrook. Let erop dat je zo ver mogelijk verwijderd bent van die tegemoet komende vrachtwagen of van het huis dat de wind breekt. Zo verhoog je de veiligheidsmarge en heb je meer tijd om de motorfiets te corrigeren.

Op je gemak door de bocht
Je zult wel al begrepen hebben dat plat gaan in bochten risico’s met zich meebrengt. Ik moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als je plat in de bocht ligt en een rukwind steekt op. Veel kans dat je mooi van de baan geveegd wordt. Tja, een rukwind vreet niet echt veel van je zijwaartse tractie op, maar als je al veel van je banden vergt door snel een bocht te nemen, dan is er weinig nodig om de grip te verliezen en onderuit te gaan. Op rechte stukken moet je dus geen vrees hebben dat je onderuit geblazen wordt. De banden hebben ook onder die omstandigheden veel tractie. Rukwinden veranderen daar weinig aan. Let wel, het kàn gebeuren dat de wind sterk genoeg is om zelfs wagens op te tillen en dat komt dan ook in het nieuws, maar dan ben je dus in een orkaan verzeild geraakt en daarop zijn deze regels niet van toepassing. Eigenlijk heb je dan niet goed genoeg naar het weerbericht geluisterd….

Belangrijk

Rijd je eigen rit. Veel motorrijders vertonen plak-gedrag: zodra de een de weg oversteekt, volgt de ander, en nog een, en nog een… allemaal zonder te kijken naar de situatie, maar alleen lettend op de achterband van de voorligger. Het is uitermate belangrijk dat je je eigen snelheid inschat, wat je wel en wat je niet kunt hebben en dat je de verkeerssituatie zelf inschat.
Volgorde en positie van de rijders
Duid één iemand aan die de hele rit voorrijder zal zijn. Idem dito voor de achterrijder. Het spreekt vanzelf dat deze beide rijders ervaren zijn in het rijden in groep.

De voorrijder rijdt met matige snelheid. Hoe verder achteraan in de groep, hoe sneller men moet rijden om de groep bij te kunnen houden. Daarom ook dat de meest ervaren en snelste rijders best achteraan rijden. De beginners kunnen achter de voorrijder rijden. Zo kunnen ze zien hoe deze reageert op de veranderende verkeerssituaties. Als ze willen tenminste.

De andere rijders rijden – natuurlijk – tussen de voor- en achterrijder. Elkeen onthoudt best achter wie hij rijdt. Iedereen rijdt zodoende in een bepaalde volgorde. Zo worden verwarde situaties bij het vertrek vermeden.

Rij altijd in baksteenformatie!
•   De voorrijder rijdt ALTIJD op 2/3 van de rechterkant van zijn rijstrook. De tweede op 1/3, de derde rijder terug op 2/3, etc. De voordelen zijn legio. Meer en verdere kijk op het verkeer voor elke rijder, meer reactietijd, meer remafstand, meer uitwijkmogelijkheid, meer frisse lucht.
•   De voorrijder moet steeds op 2/3 van de rechterkant van het rijvak rijden omdat hij dan duidelijk zichtbaar is voor automobilisten die de groep inhalen. Indien de voorrijder slechts op 1/3 zou rijden, dan is de kans heel groot dat een inhalende autobestuurder hem over het hoofd zou zien. Veel kans dat de chauffeur dan te snel terug rechts invoegt en tegen de voorrijder botst.

Een kruispunt nemen
Indien de groep niet in één keer voorbij de verkeerslichten geraakt, dan zijn er twee opties.
•   Ofwel stopt heel de groep die er wel voorbij geraakte net voorbij het kruispunt. Dit is een goede optie als de groep niet te groot is en als er voldoende veilige parkeerruimte is.
•   Ofwel rijdt deze groep gewoon verder maar laten ze iemand achter telkens als er ergens afgeslagen wordt. Zo kan de achtervolgende groep weten waar afgeslagen moet worden.
Op kruispunten zonder verkeerslichten midden op het weg gaan staan om het tegemoet komend verkeer tegen te houden, is absoluut niet wettelijk en houdt toch enkele gevaren in. Men kan namelijk enkel en alleen rekenen op de vriendelijkheid van de bestuurders. Als er één heethoofd bij zit, kun je grote problemen krijgen. Maar het wordt veel gedaan, ik weet het.
Inhalen
Bij inhaalmanoeuvres wordt van de voorrijder verwacht dat hij dit alleen doet als de andere groepsleden eveneens mee kunnen gaan. Indien niet, stel dan het inhaalmanoeuvre uit totdat er voldoende ruimte is. Als de groep héél erg groot is, dan is het beter van de groep op te splitsen.
Obstakels
Wijs je achtervolgers op tegemoet komend verkeer of in te halen obstakels. Hoe verder in de groep, hoe minder goed je zicht is op de verkeerssituatie.

Bochten nemen
Voor elke (serieuze) bocht wordt de baksteenformatie verbroken. Elke motorrijder kan de bocht dan zo ruim mogelijk aansnijden. Na de bocht wordt de baksteenformatie terug hersteld.

Goede raad
Tracht je aandacht niet te verliezen.

Hou het initiatief bij jezelf. Beslis zelf wanneer je oversteekt en inhaalt. Laat je niet (ver)leiden door anderen. De verleiding is heel groot om alleen maar het achterlicht van je voorganger in de gaten te houden en zelf geen beslissingen te nemen. Dit kan gevaarlijk zijn op kruispunten met en zonder verkeerslichten, bij inhaalmanoeuvres, bij het nemen van bochten, etc.

Gedragscode filerijden.

Algemeen
Over het tussen-de-file-rijden is al heel wat gesproken en geschreven geweest. Mag het niet, mag het wel, als het mag waar moet je dan rijden, ben je in je recht bij een ongeval en zo verder.

In de Nederlandstalige tijdschriften verschijnen daaromtrent regelmatig lezersbrieven en af en toe verschijnt er ook al eens een artikel waarin de juridische kant van het motorrijden doorheen de file belicht wordt. We verwijzen dan ook naar een ander artikel waarin dieper ingegaan wordt op de wetteksten omtrent het filerijden. Dit artikel behandelt echter een totaal ander aspect van het filerijden, nl. het gedrag van de motorrijder in de file.

Zoals we allemaal wel weten is motorrijden gevaarlijk. Wat nòg gevaarlijker is, is het inhalen en voorbij rijden van voertuigen. Gezien de risico’s die motorrijders lopen én omwille van het feit dat de wetten niet in het voordeel spelen van de motorrijder hebben een aantal bekende instanties waaronder Febiac en de Motorcycle Councel zowel voor motorrijders als autorijders een gedragscode ontwikkeld. Doel van deze gedragscode is tweeledig.

Door het promoten van een bepaald gedrag helpen deze code om het aantal ongevallen tussen motorrijders en andere voertuigen te beperken, anderzijds zijn deze handvol regels een mooie leidraad waarmee verkeersaggressie in de kiem gesmoord kan worden.

Het is niet zo evident geweest om goede bruikbare regels op te stellen, want er is geen wettelijk kader dat bepaalt wat mag en niet mag. De enige bruikbare maatstaf die we hebben is ons eigen logische en – hopelijk – gezonde verstand. Met onze hersens in de hand filosoferen we wat heen en weer over het filerijden en stap voor stap kun je zo de gedragscode zien ontstaan.

Gedoogbeleid
Wie een file wil doorkruisen mag niet uit het oog verliezen dat wat hij doet zich eignlijk niet mag. De wetteksten over filerijden zijn niet meteen de meest duidelijke maar je kan wel algemeen stellen dat het gemakkelijker is om er fouten tegen te begaan dan om ze op te volgen. Motorrijden tussen de voertuigen in een file wordt getolereerd door de autobestuurders en door de controlerende macht (de politie, de rijkswacht,…). Of je al dan niet veilig door de file geraakt hangt dus in feite af van de “good will” van diegenen die je voorbij rijdt. Een negatieve houding aannemen is dan ook uit den boze. Alle handelingen die ook maar enigszins als provocerend geïnterpreteerd zouden kunnen worden vermijd je dus best. Vergeet niet dat je de “underdog” blijft, zelfs al denk je dat je iedereen de baas kunt.

Filerijden: de handleiding
Achterkomers verwittigenLaten we beginnen met het begin: we komen aangereden en we zien in de verte de auto’s zeer sterk vertragen. Wat doen we? Aangezien de meeste onder ons geen alarmknipperlichten hebben is ons remlicht ons enige middel om achter ons rijdende chauffeurs te verwittigen. Onder het motto “alle beetjes helpen” knijpen we herhaaldelijk en in een vrij hoog tempo in ons remhendel en hopen dat onze achtervolgers ons felle knipperende remlicht opmerken en correct interpreteren.

Snelheid aanpassen
Vervolgens duiken we de file in. Dit doen we met een aangepaste snelheid. Je moet nu geen snelheidsaanduidingen verwachten want de snelheid waarmee je doorheen de file rijdt is afhankelijk van de snelheid van de autorijders en van de verkeersdrukte (en eigenlijk ook van het weer). Kies je snelheid zodanig dat de overige chauffeurs de tijd krijgen om zich bewust te worden van je aanwezigheid. Jouw veiligheid staat of valt met hun gedrag! Als ze weten dat je eraan komt kunnen ze hun gedrag op jou afstemmen. Hoe trager je doorheen de file rijdt, hoe meer tijd de bestuurders hebben om in hun spiegels te kijken en te beseffen dat er een motorrijder afkomt. Een dergelijke redenering staat haaks op de slogan “In een flits door de spits” maar zal meer levens redden.

Anticiperen
In de file aangekomen is het een kwestie van met argusogen alles en iedereen in de gaten te houden. Pro-actief denken en handelen is het toverwoord. Leer gedragingen en stromingen interpreteren. We zetten even een aantal aandachtspunten op een rijtje.
•   De gaten tussen de voertuigen op éénzelfde rijstrook variëren volgens het harmonica-effect. Bij vertragende files verkleinen de gaten, bij versnellende files vergroten de gaten. Zenuwachtige bestuurders maken hiervan gebruik om snel van rijstrook te veranderen. Hierbij maken ze weinig of nooit gebruik van hun richtingaanwijzers. Dat ze een levensgevaar vormen, daar denken ze zelfs niet aan. Daarom ook dat de positie van de individuele wagens je bij het voorbijrijden van voertuigen niet mag ontgaan. Als enkele voertuigen uit naast elkaar gelegen rijstroken in baksteenformatie rijden dan is er voor hen ruimte zat om onverwachts te wisselen van rijstrook. Enige achterdocht is dus aangewezen. Het is veiliger om tussen twee voertuigen door te rijden die vlak naast elkaar hangen. Beide zullen elkaar gezien hebben (dat zou toch moeten….) en er is geen ruimte om te veranderen van rijstrook. Hiertussen kun je met een relatief gerust gemoed doorheen manoeuvreren.
•   Weet waar op- en afritten zijn zodat je kunt anticiperen op van rijstrook wisselende chauffeurs.
•   Hou de voorwielen van de voertuigen in de gaten zodat je tijdig kan reageren.
•   Hou je eigen spiegels in de gaten zodat je snellere collega-motorrijders kunt voorbij laten. Anderzijds moeten de snelleren onder ons kunnen verdragen dat er een trager iemand voor hen rijdt. Er is niet altijd gelegenheid om je even voorbij te laten. Geef de nieuwelingen een kans om rustig de “stiel” aan te leren. Ongeduldig aandringen maakt iedereen alleen maar zenuwachtig.
•   Leg als je traag tussen files rijdt (alleen dan!) je beide handen op je koppelingshendel en je voorrem. Hiermee win je heel belangrijke tienden van seconden waarmee je kunt vermijden van onder iemands wagen te belanden. Let er wel op dat je bij normale snelheden en als je niet in de file rijdt je vingers aan het stuur houdt! Iedereen heeft namelijk aangeboren reflexen die vooral tot uiting komen bij schrikreacties. Als jij nu bvb. 100km/u rijdt met je vingers aan de voorrem en iemand doet plots een gek manoeuvre dan is de kans groot dat je zult verschieten. Tegelijk zal je uit een reflex harder in je stuur knijpen. Jouw vingers hebben echter je remhendel vast. Het gevolg laat zich raden: de voorrem blokkeert en jij gaat loeihard tegen het wegdek.
•   Let er op dat je concentratie niet verslapt. Het kan misschien wel gek klinken maar ook aan filerijden kan je wennen. Het nadeel van een gewoonte is dat je alles automatisch gaat doen en je concentratie verliest. Doe dit niet want het is op zo’n momenten dat een ongeval zich voordoet.

Hoffelijkheid
Stel nu dat je aan komt gereden en je kunt er niet door omdat enkele voertuigen op twee naast elkaar gelegen rijstroken te dicht bijeen staan. Dat kan gebeuren. Ze doen dit (normalerwijze) niet om ons motorrijders te pesten. Per slot van rekening is de mens een nieuwsgierig dier en zo’n chauffeur wil natuurlijk ook graag weten wat er gaande is. En dus is hij of zij wat uitgeweken om even in de verte te turen. Gelijk hoe, we staan aan zijn bumper en kunnen er niet langs. Alles zit muurvast. Wat te doen?

Het antwoord is simpel: doe niets. Word niet zenuwachtig, sla niet tilt, mep niet op die man of op zijn wagen, hou je mond, claxonneer niet, vertoon geen provocerende gebaren. Kortom, blijf rustig en geduldig. Het gebeurt zelden dat voertuigen in de file meer dan enkele seconden stilstaan dus met wat geduld kun je er zo voorbij. Vergeet trouwens niet dat je daar staat dankzij de tolerantie van diezelfde chauffeurs! Als zij een slecht humeur krijgen moeten ze maar even aan hun servostuur draaien en lig jij op de grond. En wie zal er in fout zijn? Veel kans dat jij dat bent. Dus doe zoals Bobby McFerin en zing “Don’t worry, be Happy”.
Gelukkig zijn de meeste chauffeurs behoorlijk oplettend. ’t Is te zeggen, dankzij onze knipperlichten en ons meestal toch iets te hoog afgesteld dimlicht zien ze ons van verre aankomen. Ze hebben dan tijd zat om uit te wijken en meestal doen ze dit dan ook. Wees hoffelijk en dank hen voor deze geste met een vriendelijk handgebaar of een hoofdknik.

Gedragscode
Als we alles samenvatten komen we tot het volgende lijstje.
Wat je NIET doet is:
•   Te snel doorheen de file rijden
•   Om de haverklap veranderen van baanvak
•   Claxonneren als je niet voorbij een voertuig geraakt
•   Overmatig aandringen om voorbij een voertuig (auto, motorfiets,…) te geraken

Wat doe je dan WEL:
•   Aan matige snelheid doorheen de files laveren (±10 km/h sneller dan de andere voertuigen).
•   Alles en iedereen in de gaten houden
•   Richtingaanwijzers gebruiken
•   Zoveel mogelijk in je eigen achteruitkijkspiegels kijken
•   Ten allen tijde rustig en oplettend blijven
•   Vriendelijke chauffeurs bedanken
•   Onoplettendheid door gewoonte vermijden

Conclusie
Eigenlijk kan al het voorgaande in één slogan samengevat worden. In twee woorden zelfs. Woorden die we vroeger regelmatig – soms misschien zelfs teveel – van onze ouders te horen kregen. Deze twee wijze woorden zijn: GEDRAAG JE. Zo eenvoudig is het. Niet meer dan dat. Altijd beleefd blijven, het gezonde verstand gebruiken, ruimdenkend en tolerant zijn en bedanken voor hetgeen je krijgt. Daarmee kan een heleboel misère vermeden worden.